Ambachten

Vooraf: menselijke ingrepen in het landschap

Weinig mensen zullen zich bij het zien van het prachtige waterrijke Reeuwijkse landschap realiseren dat het geen natuurlijke oorsprong heeft, maar dat het zijn ontstaan dankt aan drastische ingrepen van de mens.
Het begon allemaal met de ontginning van het moerasgebied tussen de Hollandse IJssel en de Oude Rijn, in de twaalfde en dertiende eeuw. Het onbewoonde moerasland veranderde daardoor in boerenland met akkers voor de teelt van voedingsgranen. Door de snelle ontwatering klonk de bodem in en kwam onder de zeespiegel te liggen. De inzet van windwatermolens vanaf de vijftiende eeuw zorgde wel voor droge voeten, maar de toch wel behoorlijk natte grond was echter niet meer geschikt voor de akkerbouw, zodat de boeren overschakelden op veeteelt.

Van bagger tot brandstof

Rond 1530 vonden de Hollanders een methode uit, om veen boven water te halen en te verwerken tot turf. Dit wordt “natte vervening” of “slagturven” genoemd. Het was zwaar handwerk, waarmee vaak hele gezinnen hun karige brood verdienden.

Rond 1670 begon deze vorm van open mijnbouw in het Reeuwijkse land. Door de voortschrijdende afgraving ontstonden plassen met een gemiddelde diepte van een meter of twee. Door het gebruik van steenkolen kwam er rond 1920 een einde aan de commerciële turfwinning. Voor privégebruik ging het nog door, met een opbloei tijdens de Tweede Wereldoorlog. In het begin van de jaren vijftig eindigde de “natte vervening” in het Reeuwijkse land volledig.
In ons museum liggen vele originele veenderijgereedschappen uitgestald, met foto’s die het gebruik ervan tonen. Een zeer minutieus uitgevoerd model in schaal 1:10 geeft overzichtelijk de gang van bagger tot brandstof weer.

Visserij en jacht

Door het ontstaan van de plassen ontwikkelde zich ook de visserij, met name op paling. Daarnaast bedreven de Sluipwijkers de eenden- en kievitenjacht.
De vangsten waren niet alleen voor eigen gebruik, maar evenzeer voor de verkoop. In onze collectie ziet u onder meer een aantal palingfuiken en een schaalmodel van een kievitenbaan.

“Sluipwijkertjes”

Bij zoveel water waren bootjes uiteraard onmisbaar. Voor het transport van mensen, dieren en hooi gebruikte men in de ondiepe poldersloten de schouw, een vrij smalle, lange boot met een kenmerkend rondgebogen, platte bodem. Hieruit ontwikkelde zich het „Sluipwijkertje”, korter dan de gebruikelijke schouw, omdat het niet alleen bedoeld was voor transport maar ook als vaartuig om te vissen of te jagen op de plassen. In veel gevallen zat onder de bank in het midden een visbun om de vangst vers te houden tot thuis. Buiten het museum liggen enkele houten en metalen exemplaren, binnen vindt u een klein deel van een scheepswerf voor houten bootjes op ware grootte, en een complete op schaal.

Handwerk met natuurlijke grondstoffen

Gebruiksvoorwerpen maakten ze zelf, zoveel mogelijk van materiaal uit de directe omgeving. De bomen in de geriefbosjes leverden hout voor klompen, lokeenden en gereedschapsstelen (voor de metalen delen van de gereedschappen kwam de plaatselijke smid in actie). Wilgentenen dienden als ringen in zelfgebreide fuiken en om manden van te vlechten. De vele rietkragen leverden de grondstof voor dakbedekking en voor rietmatten om de zijkanten van eendenkooien en turfschuren mee te dichten en om te dienen als beschutting tegen de wind. Voorwerpen en afbeeldingen laten u het oude handwerk zien.

“Grootmoeders tijd”

Onder deze noemer geven we een beeld van het dagelijks leven op, aan en nabij de Reeuwijkse plassen, in het begin van de twintigste eeuw.

Huishouding

We hebben het inwendige van een turfstekerhuisje zo authentiek mogelijk nagebouwd. Het is met recht een eenkamerwoning, inclusief een met turf gestookt fornuis om op te koken en een bedstee met daarin een krib voor het kleine kind. Alles wat met wassen in vroeger dagen heeft te maken, zoals de teil, het fornuis, de wasplank, de wasstamper, diverse wringers, een oude wasmachine en een mangel, maakt deel uit van de vaste uitstalling in het boenhok.

IJspret

Eigenlijk alleen in de winter was er tijd voor ontspanning, als vorst het werk op het land en op het water onmogelijk maakte. Dan kwamen de schaatsen uit het vet en werd de arrenslee van stal gehaald. Ze rusten nu uit in onze collectie.

Onderwijs

De dorpsschool van weleer is te zien in de vorm van schoolbankjes, -platen en -boekjes, waaronder de befaamde leesplank van Hoogeveen, met als eerste woordjes het overbekende drietal „aap – noot – mies”.

Gezondheidszorg

De zorg voor de zieke mens ziet u in de vorm van diverse attributen van de wijkzuster van het Groene Kruis. Voor het zieke dier kwam de veearts. Onze collectie veterinaire instrumenten roept beelden op die helemaal passen bij de bekende „Vlimmen”-trilogie van mr. A. Root-haert.

Kaasbereiding

We hebben een kleine expositie over de bereiding van de befaamde volvette Goudse kaas, zoals die al eeuwenlang in het veenweidegebied rondom de pijpenstad door de boerin werd (en nog wordt) bereid.
Voor uitgebreide informatie over kaasbereiding, zie: Website Kaasmuseum

De kruidenier

Het kruidenierswinkeltje schept een voorbeeld van een “winkel van Sinkel”, met producten uit „grootmoeders tijd”, met merknamen die nu allang vergeten zijn, zoals „Diesel”, „Radion” (waspoeders) en „Glim” (poetsmiddel).

Diversen

In de vitrines liggen in wisselende uitstalling allerlei oude gebruiksvoorwerpen en documenten.
Verder kunt u twee oude brandspuiten en de kar van de olieman bekijken.