Het salaris van de scherprechter

Reeuwijkse Reeks 2, aug 1990. G.A.F. Maatje

Reeuwijk-Dorp of juister gezegd het ambachtsheerlijkheid Reeuwijk, vormde samen met Zwammerdam, vanaf 1283, de heerlijkheid Voshol. Kort daarna werd ook Ter Aar hierbij gevoegd, waardoor deze drie rechtsgebieden één bestuurlijk en administratief geheel vormden. Dat vond zijn oorsprong in het feit dat ze gedurende vele jaren onder de Heren van Brederode verenigd waren geweest. Pas in 1841viel Voshol door verkoop weer in de drie oorspronkelijke delen uiteen.

Voor de geschiedenis van het oude Reeuwijk zijn we daarom op het archief van Voshol aangewezen. De naam Voshol is ontleend aan het kleine poldertje direct ten noorden van de Tempel. Niet bekend is waarom dit kleine stukje land naamgever voor het grote gebied werd. Dit “baljuwschap van Voshol”, zoals het ook wel werd genoemd bezat de zgn “hoge” rechtspraak, wat wil zeggen dat: de “Heer” de hoge jurisdictie bezat ofwel rechtspraak in criminele of “hals” zaken. Dit betekende dat in tegenstelling tot de lagere schout-ambachten (zoals Sluipwijk), de doodstraf kon worden toegepast. De baljuw, die namens zijn heer de rechtspraak uitoefende, deed dit samen met enkele “welgeboren” mannen. Dit college werd ook wel de Vierschaar genoemd. Voor Voshol werd dit college gevormd door de baljuw en de schouten van de drie dorpen, zodat ook de Reeuwijkse schout hiervan deel uitmaakte.
In sommige oude akten wordt Voshol ook wel een “middelbare” heerlijkheid genoemd, dus tussen “hoge” en “lage” heerlijkheid in. Deze hierin wat verwarrende akten zijn echter niet van invloed op de zaak die ik in dit artikel wil behandelen, ik volg in deze de stelling van dr. P.C. Spierenburg in zijn dissertatie van 1978, “Judical violence in the Dutch Republic”, welke stelling luidt: “Niet de formele Keuren en Placaten, maar slechts de gewezen vonnissen zelf kunnen ons inzicht verschaffen in wat er tijdens de Republiek in werkelijkheid op het gebied van bestraffing plaatsvond.”

Streekmuseum Reeuwijk - Scherprechter 1Helaas zijn er over de processen, die door deze Baljuw en zijn welgeborenen tegen burgers van Voshol werden gevoerd, maar zeer weinig stukken bewaard gebleven. Alleen over de jaren 1751-1755 zijn er in het Algemeen Rijksarchief in den Haag enkele stukken bewaard gebleven.
Toen ik deze stukken, die in de inventaris worden aan gegevens als “Stukken betreffende strafrechtelijke acties, ingesteld door baljuw en welgeborenen van Voshol” onderzocht, (zeer boeiende lectuur overigens) vond ik tussen de bladzijden daarvan een gevouwen brief. Mijn verbazing was groot toen ik daar een ontwerp zag voor een Salarisinstructie voor een scherprechter of beul! Het stuk toonde duidelijk de kenmerken van een ontwerp. De artikelen 1,3,4,8 en 10 ontbreken en er zijn allerlei vragen en opmerkingen bijgeschreven, maar dat maakt het stuk niet minder interessant. Ik wil u daarom graag een samenvatting, in hedendaags Nederlands, van het stuk geven.

Salaris Scherprechter.

  • Art.2     Als de scherprechter zal reizen, ontvangt hij zolang hij op weg is, drie ponden groten per dag (=Hollands pond van 40 groten), maar op de dag van “justitie” )de terechtstellingdsdag dus) zal hij geen daggeld hebben, maar tevreden moeten zijn met zijn loon.
    nb. Het Hollandse pond was een oude munteenheid in de Nederlanden, Een Hollands pond had de waarde van 1 gulden en was onderverdeeld in 40 groten.)
  • Art.5     Voor elke “justitie” waar de dood niet op volgt, zoals geselen, het afsnijden van oren (het zgn, kortoren) het “steecken”(of afsnijden) van de tong, het uitsteken van één of beide ogen, het afhakken van een hand en dergelijke: drie ponden (het ook elders gehanteerde tarief), maar moet wel met de bepaling dat als er aan één persoon meerdere executies verricht moeten worden, bij voorbeeld geselen en brandmerken, geselen  en oren afsnijden en dergelijke, dan zal hij voor de meerdere handelingen maar het halve tarief krijgen.
  • Art.6     Als er op één dag twee of meerdere personen gegeseld moeten worden of dat bij beiden de oren moeten worden afgesneden, dan krijgt hij voor ieder persoon het volle bedrag.
  • Art.7     Als hij ergens ontboden wordt zal hij voor zijn “wapentuig” (zijn vervoer) niet meer mogen vragen dan 12 stuiver per mijl.
  • Art.9     Als hij ergens ontboden wordt moet hij direct komen. Bij wettige verhindering zal hij daarvan afdoend bewijs moeten overleggen.
  • Art.10   Hij moet tevreden zijn met zijn loon, hij mag niet meer vragen, daar hij anders hiervoor bestraft zal worden.

De beul die men op het oog had en voor wie deze salarisregeling werd ontworpen was uit Haarlem afkomstig. Het was in die tijd wel gebruikelijk om een beul uit een andere (ver weg gelegen) plaats te laten komen. Hij was dan immers in persoon onbekend in de plaats van terechtstelling en stond daarvoor “op afstand” van zijn slachtoffers. In het handschrift van de ambachtsheer Cornelis van Aerssen jr. staan er dan wat vragen of opmerkingen bij geschreven zoals:
– Moet een scherprechter uit Haarlem één dag voor de executie van huis gaan en één dag daarna pas weer huiswaarts gaan?

– Mag hij boven het salaris ook vergoeding vragen voor de gebruikte touwen en roeden? En indien ja, hoeveel dan wel? En aan wie mag hij dat dan in rekening brengen?

– Hoe groot is de afstand tussen Haarlem en Zwammerdam? (Denk aan de 12 stuiver per mij!)

De man kwam met paard en wagen en bracht daarop zijn lugubere gereedschap mee. De zuinige ambachtsheer schreef in de kantlijn bij art.6: “n.b. of zijn daggeld op reis ook daar dubbel is” met andere woorden, dubbele kilometervergoeding bij een executie van twee personen is toch wel wat veel gevraagd!
Opmerkelijk is overigens dat in dit ontwerp (voor zover wij het kennen, daar een aantal artikelen ontbreekt)  nergens wordt gesproken over tarieven voor handelingen die de dood tot gevolg hebben, zoals ophanging en onthoofding. Dat de beul wel degelijk een doodstraf voltrok blijkt uit een processtuk uit 1754.

Streekmuseum Reeuwijk - Scherprechter 2

Streekmuseum Reeuwijk – Scherprechter 2

Op 29 april van dat jaar werd in Zwammerdam een doodvonnis voltrokken aan een inwoner van Korteraar. Het ging hier om een zaak tegen Cornelis van Tol, alias “Kees den Aap” die in 1744 al eens wegens vele diefstallen was veroordeeld; de straf was toen: geseling in het openbaar en met een strop om de hals gebrandmerkt worden, waarna hij uit Holland en West-Friesland verbannen werd. Maar na vijf jaar was hij met zijn vrouw en kinderen al weer terug in zijn dorp en ging weer over tot “het pleegen van veele snoode en hoogst strafbare dieverijen”. Er volgde een proces en de man werd veroordeeld om:
“……. geleid en gebracht te worden ter plaatse alwaar men gewoon was om binnen het dorp van Zwammerdam, criminele justitie te doen, en dat hij aldaar door de scherprechter aan een galg tussen hemel en aarde gehangen en met een koord gewurgd zal worden totdat de dood er op volgt en dat vervolgens na twee uren zijn dode lichaam, dat een begrafenis niet waardig is, op een horde (=een tenen mat) gelegd zal worden om vervolgens naar het galgenveld (de zogenaamde buitengalg) gesleept te worden, om daar weer aan een galg opgehangen te worden totdat het lichaam door de lucht en de vogels verteerd zal zijn.”

De terechtstellingen werden op het Plein in Zwammerdam in het openbaar voltrokken en trokken, een in die tijd normaal verschijnsel, meestal veel publiek…
We weten niet of deze terechtstelling door de man uit Haarlem werd voltrokken en of alles volgens de regels van de instructie werd afgehandeld.

De positie van een scherprechter was overigens niet te benijden, niet alleen om zijn luguber “handwerk”, maar het beroep van beul in het algemeen maakte de man niet tot een geliefd burger in zijn woonplaats. Men liep met een boog om hem heen en kinderen wilden niet met zijn kinderen spelen. Een beul leefde daardoor dikwijls in een sociaal isolement. Het waren meestal ook geen hoogstaande figuren. Menige beul had geen al te zuiver geweten. De vrij algemene afkeer van het beulsambt was waarschijnlijk ook te wijten aan de angst voor de dood die zo op een persoon werd afgewenteld.
Wij kunnen nu wel met zekerheid zeggen dat Reeuwijk, als deel van de heerlijkheid Voshol, in de 18e eeuw een scherprechter had, wij weten niet of hij ooit een Reeuwijker “ter justitie” onder handen heeft gehad.