Eilanden op Ravensberg, straten in Reeuwijk | Streekmuseum Reeuwijk

Streekmuseum Reeuwijk - Eilanden Reeuwijkse Reeks 1
18 nov

Reeuwijkse Reeks 4, P. Blaak

We gaan ver terug in de tijd, zo rond het jaar 1000 na Chr. bestond het gebied waar nu de plas Ravensberg is uit een wildernis. Het landschap was bedekt met struweel en bestond grotendeels uit open veenmosvlakten. De bodem bestond uit een vochtig verend tapijt van mos- en grassoorten waaruit zich het veenmosveen ontwikkelde. In de veenbonken die nu nog af en toe boven komen drijven kunnen we de onverteerde resten van riet en zegge nog gemakkelijk herkennen. Dat er ook gedeelten met broekbos voorkwamen blijkt uit de talrijke boomstammen en boomstronken die nog in de veenbodem zitten.

Het gebied van Ravensberg werd aan het einde van de dertiende eeuw ontgonnen en in  cultuur gebracht. In de zeventiende eeuw is men in het Sluipwijkse gebied begonnen om op  grote schaal turf te baggeren. Door dit proces van natte vervening zijn uiteindelijk tussen 1650 en 1920 de Reeuwijkse- en Sluipwijkse plassen ontstaan. De polder Ravensberg was één van de eerste gebieden rond Sluipwijk  waar men ging vervenen. In de loop van drie eeuwen ontstond zo een waterplas van 145 hectare met een diepte van twee tot vier meter. De eilanden die we nu (1992) kennen zijn restanten van de voormalige legakkers waarop de veenbagger te drogen werd gelegd. Deze eilanden heten nog vaak “akker” zoals de “veenakker”. Ze liggen nog op de oorspronkelijke veenbodem. Andere eilanden zijn ontstaan door het aandammen van de onbruikbare bovenlaag van het veen. Zij heten daarom vaak “damhoek”. Na de lange periode van vervening werden vele eilandjes gebruikt als hooi- en weilandjes of waren in gebruik als groente tuin of Rozentuin. Vermaarde rozenkwekers waren Piet en Chiel van den Berg.

Behoedzaam gaan de roeispanen in het water, voorzichtig gaan we dit wonderschone paradijsje binnen, begeleid door het gekrijs van duizenden kapmeeuwen die het gezoem van de miljoenen muggen overstemmen. Vele eilandjes zijn voor de mensen onbruikbaar geworden, maar dankbaar in het bezit genomen door de vogels. Gerrit Verkaik manoeuvreert het Sluipwijkse schouwtje tussen de velden witte waterlelies door. Links en rechts zijn eilandjes, hoge bomen staan er op met hier en daar de grote reigernesten.
Hij wijst me op een eilandje ten zuidwesten van de plas: “dit noemen we Grietjesland. Grietje Slappendel tuinde hier, ze was huishoudster bij haar ooms Aart en Bertus Verwaal.” (aan de ’s Gravenbroekseweg 35)
Kriskras roeien we over de plas, van noord naar zuid, van oost naar west. Tientallen eilanden passeren we, alle doorgangen zijn bij Gerrit en zijn zoon Kees bekend. Overal ontmoeten we weer een stukje geschiedenis. “Hier moet het “Kerkestuk” geweest zijn” als we ten noorden van de Sluipwijkse kerk zijn aangekomen. Hier moeten nog rond 1800 de kerkgangers vanuit de noordelijk gelegen polders Vettenbroek en Broekvelden overgegaan zijn op weg naar de Sluipwijkse kerk. Halverwege de Oudeweg- aan het eind van de Sloene- was over de wetering nog een “draai” en tot daar liep het Kerkepad. Gerrit wist het nog van zijn vader.

Zachtjes roeien we oostwaarts; hij maakt me opmerkzaam op een zoete geur, we varen tussen twee eilandjes door Bloeme en Rozentuin. Het had ’s nachts wat geregend en het was nu bladstil in de vroege zomermorgen.
Bloeme noemen we dit brokje natuur, vroeger woonde Benjamin de Wit in het huis wat we later kenden als de jeugdherberg “de Waterhaan” aan het einde van de ’s Gravenbroeksweg (nu woonhuis nr. 123).Nu is daar veel veranderd. Maar goed. Benjamin de Wit kweekte hier Taxus, het stond er stijfvol mee. Ook kweekte hij er de Dicentra, gebroken hartje, Mariatranen, bisschopsmutsjes, druipend hartje, oorbelletjes, reistasjes allemaal volksnamen.

De Rozentuin, een tiental meters verder, was een kweekeiland waar de beroemde rozen Rugosa en Multiflora welig groeiden. Niet uit te roeien waren ze, ze kwamen altijd overal weer op. Ze verwilderden later en waren ruim twee meter hoog. Ze geuren nog steeds…

We roeien noordwaarts, Gerrit wijst link dat was het landje van Kees Saluutje, rechts is de Veenakker en weer links de Ruichthoek. Daar maaiden we het ruicht- voor het afdekken van de turfsteupel. We legden er bonken op tegen het wegwaaien… Talloze kapmeeuwen krijsen om ons heen, ze hebben hun nesten op de Meeuwenbonk.
Wanneer we tussen twee smalle eilandjes doorvaren horen we de Rietgors. De vogel die we naast de grote karekiet, hier overal horen en tegenkomen in de oevervegetatie. Vele namen horen we hier noemen: Houtakker, Zanddrijver, Otternest, Ruigebonk, Miereakker, Kees weet te vertellen dat als ze op het eiland kwamen ze bar veel last hadden van de rode mieren. Miljoenen zaten er, ze steken gemeen en waren niet uit te roeien. Nee, hij kwam liever op de Snippendrift, er waren meerdere eilandjes die dezelfde hadden. Ze worden nog goed onderhouden en dienen voor de jacht op de snippen van 18 augustus tot 31 januari. Hij maait enkele meters kaal en hierop vallen dan de trekvogels om te foerageren.

Gerrit vindt het jammer dat de Dulebonk zo goed als is verdwenen, helemaal weggespoeld. Vroeger waren het hele velden met lisdodden, het was een prachtig ondiep moerasgebied met veel biezen en ander ruichtvegetatie. Ook de Lange Krag is niet mooi meer.

Streekmuseum Reeuwijk - Eilanden Reeuwijkse Reeks 1Ooit hebben we de bovenlaag, 1½ steek diep, weggegraven om zo bij de veenbagger te komen. Toen is er een mooi rietland ontstaan, een hele lange rietkraag. We noemen het de lange krag, het is wat Sluipwijks verbasterd, maar jammer blijft het dat er zo weinig riet is overgebleven.

Als ik tot slot vraag naar de geschiedenis va het Hanegevecht vallen de roeispanen stil en wijst hij schuin achterom. Het ligt ten noorden van de Sluipwijkse kerk, zuidwestelijk van he Kerkestuk. Hij vindt het een mooi verhaal: zo in de 17e eeuw was veel land in bezit van de Sluipwijkse kerk, die dat weer verpachtte aan veenbazen en anderen die de overgebleven legakkers gebruikten voor allerlei doeleinden. Met dit stukje land was eigenlijk niet veel te doen, een zeer harde ondergrond, veel boomstronken, kortom een verloren hoekje. Het behoorde toe aan twee broers die de vaste lasten, de pacht, maar nauwelijks konden opbrengen. Er was doorlopend verschil van mening wie de penningen moest betalen. Maar zoals zo vaak moest een Salomons oordeel uitkomst bieden. De broers zetten hun hanen in het strijdperk en zoals de geschiedenis verder vertelt moest de eigenaar van de verliezende haan voortaan de rekening betalen.

Maar zoals vaker gebeurd met sterke dorpsverhalen zal hier ook wel een andere verklaring van de naam Hanegevecht te vinden zijn.
Wanneer in het voorjaar de talrijke kemphanen weer terugkeren van hun winterverblijven en neerstrijken op de legakkers, dan breekt de tijd weer aan dat de mannetjes – de hanen –  met hun prachtige hoog opgestoken veerkragen hun baltspasjes en schijngevechten weer opvoeren. Ook deze hanegevechten werden natuurlijk waargenomen door de Sluipwijkers die in hun schouwtjes de plassen opgingen ter visvangst, jacht of naar de Rozentuin waar in het voorjaar de rozen gesnoeid moesten worden, of naar de Miereakker waar tussen de jonge groente de duizenden rode mieren het rijk alleen hadden.

Vele namen zijn nog bekend bij de Sluipwijkers. Maar gelukkig zijn ook door het gemeente-bestuur van Reeuwijk deze namen voor “de eeuwigheid” vastgelegd in de straatnamen van Reeuwijk Brug Oost, in de omgeving van de fraaie natuurplas Ravensberg.

Streekmuseum Reeuwijk - Eilanden Reeuwijkse Reeks 2

De kadastrale minuutkaart van 1832 laat het Kerkestuk duidelijk zien. De smalle strook land, 1 hectare en 34 are groot, liep tot aan de Oudeweg. Eigenaar was toen de Reeuwijkse chirurgijn Abraham de Jaager.

 

 

 

 

 

 

 

Vorige Post

Omgevingsvergunning